Het is een vraag die als een sluier over veel gesprekken lijkt te liggen, een onderstroom die door sociale media, koffiepauzes en stilgevallen diners loopt. Het wordt niet altijd uitgesproken, maar het is voelbaar aanwezig. Mag je nog genieten, lachen, vakantieplannen maken, een taart bakken, terwijl elders de gruwel zo tastbaar en onontkoombaar is?
Misschien is het niet zozeer een kwestie van mogen, maar van betekenis. Wat betekent vreugde in een wereld waarin zoveel mensen niets te vieren hebben? Wat zegt het over ons, over deze tijd, dat we schoonheid en plezier kunnen ervaren, terwijl elders kinderen verhongeren en steden met de grond gelijkgemaakt worden?
Het lijkt soms alsof vreugde pas legitiem is als ze is voorzien van een bijsluiter. Alsof we pas mogen genieten als we er expliciet bij vermelden dat we weten dat er mensen aan het sterven zijn. Zo kookte ik onlangs een uitgebreid diner om de verjaardag van mijn broertje te vieren. Ik voelde sterk de behoefte om een disclaimer onder dit mooie moment te plaatsen: ja, dit diner was heerlijk, maar Gaza verhongert.
Die reflex is begrijpelijk, en misschien zelfs gezond. Het betekent dat we ons nog iets aantrekken van de werkelijkheid buiten ons directe blikveld. Maar het roept ook een nieuwe vraag op: wat doen we met dat besef? Wordt het een reden om stil te vallen, af te haken, en in schaamte te zwijgen? Of kunnen we juist via die vreugde, en dat ongemak, tot iets meer oprechter komen?
Schoonheid en lijden bestaan niet los van elkaar. Ze botsen niet altijd frontaal, maar schuren voortdurend langs elkaar heen. De vreugde van het koken, samenzijn, de zon op je huid – het zijn geen misdaden. Maar ze kunnen confronterend zijn, omdat ze laten zien wat elders ontbreekt. En dat ongemak is geen fout in het systeem. Het ís het systeem. Het is het symptoom van een wereld waarin ongelijkheid zelden abstract blijft.
Er is een bepaalde gelatenheid die zich kan aandienen bij zulke vragen. Een stem die fluistert: je verandert niets met een gevoel, laat staan met een post of een essay. Alsof het zinloos is om iets te voelen of te zeggen. Maar die gedachte miskent iets fundamenteels: je verandert ook niets zonder gevoel. Er is nog nooit een omwenteling geweest zonder mensen die bereid waren om geraakt te worden.
Gevoeligheid wordt vaak gezien als een zwakte, een luxe die we ons in tijden van crisis niet kunnen veroorloven. Maar misschien is het juist andersom. Misschien is de bereidheid om te voelen – ten volle, zonder filter – een van de weinige manieren om niet volledig afgestompt te raken. Het maakt niet alles beter, maar het weerhoudt je ervan om zelf te verdwijnen in de ruis.
Er is een paradox die moeilijk te benoemen is, maar die zich telkens opdringt. Hoe meer je toelaat – het verdriet, het onrecht, de machteloosheid, maar ook het geluk, de schoonheid, het kleine goede – hoe minder nutteloos je wordt. Niet omdat je oplost wat je voelt, maar omdat je je laat vormen door wat je niet kúnt oplossen. Je wordt niet verlamd, maar juist helderder en meer open. Alsof het breekpunt tegelijk een scherpstelmoment is.
Vreugde wist het lijden niet uit. Ze staat ernaast, soms schouder aan schouder en soms ongemakkelijk tegenover. Maar als ze oprecht is, als ze niet wordt ingezet om te ontsnappen maar om te verdiepen, dan kan ze een ander soort licht werpen op de duisternis. Een licht dat niet pretendeert iets op te lossen, maar wel iets zichtbaar maakt.
De vraag “mag je genieten?” is daarmee geen morele toetssteen, maar een uitnodiging tot reflectie. Daarmee ban je vreugde niet uit, maar geef je haar context. Om haar in te bedden in het besef dat die vreugde, dat volle bord, dat veilige huis, dat rustige hart – niet vanzelfsprekend zijn. En dat het besef daarvan niet per se een last hoeft te zijn, maar ook een bron van verantwoordelijkheid.
Misschien is dat waar het ons uiteindelijk toe uitnodigt: om niet op te houden met genieten, maar om niet op te houden met voelen. Ook als dat verwarrend is en ook als het wringt. Juist dan.