“Ik had net bijna op iemand gespuugd,” zegt mijn voormalig-HME vriendin terwijl ze haar jas los ritst en met een klap op een RVS-stoel ploft. We zitten bij de koffiebar aan het einde van de straat, waar altijd net iets te veel hazewindhonden angstig tussen de tafels liggen te trillen en iedereen minstens één keer aangeeft hoe intens de energie ergens was.
Ze heeft een fatbike-verhaal. Natuurlijk heeft ze een fatbike-verhaal. Ze was net onderweg hierheen, op haar gewone fiets, stopte netjes bij het stoplicht, toen er een jongen van rond de veertien met een enorme vaart rakelings langs haar scheerde. Ze schrok, hij stak zijn middelvinger op. “Ik zei: doe normaal. En hij riep: hou je bek, kankerwijf.”
Ze pakt haar koemelkcappuccino op met trillende vingers. “Ik weet niet wat er met deze stad aan de hand is,” zegt ze. “Mensen zijn zó verhard.” Ze kijkt me aan, op zoek naar bevestiging. En ik geef haar die, want ik weet: dit is de juiste reactie. Dat is hoe dit gesprek moet gaan.
Een paar uur later sta ik bij het koffieapparaat op werk en hoor ik een bijna identiek verhaal van een collega. Hij was in de Jordaan, vertelt hij. Er kwam een toerist op zo’n gele huurfiets uit een zijstraat gevlogen. Hij moest vol in de rem, waarop de toerist lachte. Niet spottend, zegt hij, maar gewoon… onverschillig. Hij kijkt me aan met een blik die zoekt naar erkenning. “Ze zijn hier alleen voor de fun,” zegt hij. “Voor een weekend of een paar maanden. Ze geven niks om de stad. Ze geven niks om óns.” Hij spreekt over zichzelf alsof hij tot een bedreigde soort behoort: de gewone Amsterdammer. Als die nog bestaat.
’s Avonds, tijdens een etentje met vrienden – acht mensen aan een lange houten tafel, servetten losjes op schoot terwijl de natuurwijn rijkelijk vloeit – buigt het gesprek vanzelf weer die kant op. Er wordt geklaagd over scooters op het fietspad, over fietsers die door rood rijden en vervolgens zelf kwaad worden, over bakfietsouders die schreeuwen naar voorbijgangers en dan verbaasd zijn als er iets terugkomt.
“Mensen denken alleen nog maar aan zichzelf,” zegt iemand. “Het is een soort morele erosie,” zegt een ander, die onlangs een podcast over gedragseconomie heeft geluisterd. Iedereen knikt. Maar niemand – werkelijk niemand – noemt zichzelf als onderdeel van het probleem. Ik kijk om me heen. Dit zijn allemaal slimme, zachte mensen. Mensen die groenten fermenteren, die stemmen op partijen met een klimaatparagraaf, die sorry zeggen in de supermarkt als ze per ongeluk met hun mandje tegen je aan stoten.
En toch zie ik hoe iemand nét iets te kort reageert op de ober wanneer het verkeerde dessert op tafel wordt gezet. “Ik had geen vijgen,” zegt ze. Niet boos of gemeen, maar met dat licht geërgerde toontje dat iedereen aan tafel begrijpt en niemand benoemt. De ober mompelt sorry. We glimlachen beleefd. En we gaan verder met klagen over anderen.
Misschien is het geen verharding, maar een soort besmetting. Een collectief verlies van zachtheid. Niemand begint als schreeuwende verkeershooligan. Het gebeurt langzaam, via kleine irritaties, overprikkeling, en het aanhoudende gevoel dat je voortdurend moet vechten voor je plek: in het verkeer, op het terras, in het gesprek. Een virus zonder zichtbare symptomen, tot je jezelf op een ochtend betrapt op het mompelen van “trut” tegen een bejaarde vrouw die net iets te langzaam oversteekt.
Misschien moeten we het anders aanpakken. Een QR-code bij de Ring. Toegang tot de stad alleen als je je basisvaardigheden hebt behaald: Wachten op rood zonder theatrale handgebaren, Niet schreeuwen bij een bijna-botsing, Glimlachen naar iemand die voorrang neemt terwijl jij dat óók had. En daarna, bij binnenkomst van de stad: je telefoon scannen en doorlopen voor een cappuccino met koemelk met 50% korting. Nu sléchts 4,20 euro.
Of misschien moet ik gewoon verhuizen naar Bergen.
Maar ja. Daar zijn ook mensen.