Het is 6:45 als ik wakker schrik uit een droom die zich al bijna opgelost heeft nog voordat ik mijn ogen goed open heb. Het is geen wekker die me wekt, wel testosteron. Uit de tuin klinkt het oergebrul van twee steigerbouwers die ergens tussen beton en ego’s een discussie voeren over de volgorde der dingen. Het lijkt erop dat ik niet de enige ben die gewekt wordt door deze auditieve sloopkogel. Want ja hoor, ook Petra is wakker. Petra en haar longen, die zich klokslag 6:45 als een kapotte bladblazer door de buurt roggelen. Het concert is begonnen, en het lijkt erop dat ze dit keer écht afscheid gaan nemen van hun gastvrouw. Good morning, Amsterdam.
Ik spring onder de douche, trek een comfy outfit aan, giet mijn ontbijt in de vorm van een havercappu naar binnen en adem diep in. De stad wacht, en ik weet wat me te wachten staat: middelvingers, fatbikes, toeristen die denken dat een zebrapad optioneel is. Ik spreek mezelf wat moed in. “Je kunt dit,” zeg ik tegen mijn spiegelbeeld. En dan is het moment daar: ik open de deur. Klaar voor wat er ook komt. Denk ik.
Ik zet één stap buiten en beland midden in een draaikolk van weggegooide resten. Het is vuildag, en dat laat de straat zich aanleunen. Plastic, avocado-schillen, een halve strijkplank, een verfrommelde kinderstoel. Het is geen verrassing, maar toch weet deze dag me opnieuw iets te geven waar ik niet op gerekend had. Want daar, tussen het gebruikelijke puin, zie ik iets wat me even doet twijfelen aan mijn eigen ogen. Een haast kunstzinnige opstelling van gebruikte maandverbandjes, strak tegen de stoep geperst, als een installatie van een boze kunstacademiestudent met een statement. Period Poverty meets Banksy? Ze zitten vast alsof ze er geworteld zijn. De wind doet z’n best, maar ze laten zich niet zomaar verplaatsen. Ze kijken me aan alsof ze me uitdagen. Wat ga je doen? Doorlopen? Foto maken? Ons oprapen?
Maar dan valt mijn oog op een papiertje dat half achter een van de verbandjes uitsteekt. Een brief met daarop de gegevens van mijn buurvrouw. Het is alsof iemand een vlaggetje heeft geplant in het midden van de chaos: hier woont de eigenaar van dit alles. En ineens herinner ik me dat gesprek van laatst met haar, precies op deze plek. Ze vertelde me dat dit haar grootste angst was. Dat haar vuilniszak open gescheurd zou worden door de genadeloze blikjesverzamelaars en haar persoonlijke spullen op straat zouden liggen, voor iedereen zichtbaar. En kijk nu. Ze heeft het gemanifesteerd. Pijnlijk precies.
Ik weet wat me te doen staat, al probeer ik het nog heel even te ontkennen. Heel even overweeg ik om gewoon te doen alsof ik het niet gezien heb en mijn blik af te wenden. Maar ik zie haar gezicht weer voor me, hoor haar stem, en weet dat ik dit niet kan maken. Dus ik pak mijn hondenpoepzakjes en begin de verbandjes een voor een op te rapen. De een laat zich gewillig meenemen, de ander blijft nog even haken, alsof ook hij weet dat dit moment eigenlijk te gênant is om aan mee te werken. Maar binnen vijf minuten zitten ze allemaal keurig ingepakt in een doos die daar al bij het vuilnis stond. Niemand die het ziet. Niemand die het weet.
Op het moment dat ik de doos afsluit, overvalt me iets onverwachts. Geen gevoel van walging of spijt, maar meer van gelukzaligheid. Kijk mij nou, denk ik. Een goede daad verricht, en dat op de nuchtere maag. Iets verderop staat een man de stoep aan te vegen. Hij heeft het gezien, maar zegt niks. We maken oogcontact en ik krijg een nauwelijks zichtbaar knikje. Vuilnismonniken onder elkaar. Geen woorden nodig.
Plaats een reactie